Plato en het onsterfelijke

Plato geloofde in de onsterfelijkheid van de ziel. Hij geloofde dat de ziel keer op keer terugkeert naar het goddelijke, om dan weer neer te slaan op Aarde, als licht en schaduw dat niet zonder elkaar kan. Hij ging verder dat God bereikt kan worden door zuiver over de fundamentele vragen in het leven na te denken, als volgt:

Om mens te zijn, moet men immers begrijpen wat in algemene termen wordt gezegd, door een veelheid van zintuigelijke waarnemingen over te gaan naar een eenheid, die tot stand wordt gebracht door logische redenering. Dit proces is een ‘zich herinneren’ van wat onze ziel vroeger gezien heeft toen ze, tijdens haar reis in gezelschap van een god, vanuit de hoogt neerkeek op wat wij nu als werkelijkheid bestempelen, en toen ze opdook binnen het werkelijk Zijnde.

De waanzin krijgt in Plato’s werk een opmerkelijke functie. Deze wordt in verband gebracht met het goddelijke inzicht, met het ‘bezeten’ zijn en met de manie (μᾰνῐ́ᾱ), wat volgens Plato enkel en alleen van hoger af kan komen. Zo schrijft hij bijvoorbeeld over een bepaald soort manie:

Dat is dan de vierde soort van waanzin — de waanzin namelijk die oorzaak is dat een mens voor een waanzinnige gehouden wordt wanneer hij, bij het zien van de schoonheid hierbeneden, zich de ware schoonheid herinnert en veren krijgt en klapwiekend zich inspant om omhoog te vliegen, maar het niet kan en als een vogel omhoog kijkt en zich niets gelegen laat liggen aan de dingen hierbeneden.

De waanzin is volgens Plato met andere woorden het ‘loskomen van de dagdagelijkse werkelijkheid’, zoals het ook beschreven staat in psychiatrische referentiewerken. Het wordt in verband gebracht met grootse zaken, zoals helderzienden en orakels, die in het Oude Griekenland alom werden gerespecteerd. Ook de liefde is volgens hem iets goddelijks. In Phaidros schrijft hij verder:

Vandaar ook dat ze niets goedschiks van de geliefde schiet, en dat ze niemand boven de mooie geliefde stelt. Moeders, broers, vrienden, alles is ze vergeten. Als haar vermogen door haar zorgeloosheid ten onder gaat: het kan haar nit schelen. Goede zeden, nette manieren, waar ze vroeger zo trots op was, versmaadt ze nu , bereid als ze is tot een leven van een slaaf, bereid ook om te slapen waar het haar maar gegund wordt, zo dicht mogelijk bij haar liefde. Want niet slechts vereert zij de bezitter van de schoonheid, maar ze heeft ook in hem de enige geneesheer gevonden van naar ergste pijnen. En deze aandoening, mijn mooie jongen, tot wie ik deze woorden richt, deze aandoening noemen de mensen liefde, Eros. Maar als je hoort hoe de goden haar noemen, zul jij, jong als je bent, er waarschijnlijk om lachen.

Het woord waar Plato op doelde is ‘pterón’ (πτερόν), wat ‘gevederd’ betekent. De waanzinnige en de verliefde zijn met andere woorden gelijk aan elkaar, in dat opzicht dat ze beiden ‘bevlogen’ zijn. Beiden zoeken ze het goddelijke op, al doen ze dat op heel andere manieren. De liefde, zo stelt Plato, al is het voor wijsheid (philo-sophos, liefhebber van wijsheid), baant de weg naar het bevrijden van de ziel van haar juk waar het bij haar geboorte in terechtgekomen was.

Stel je namelijk mensen voor in een soort van ondergronds, grotachtig verblijf, met een lange toegang, die naar het daglicht leidt en langs de hele breedte van de spelonk loopt. Van jongs af zijn ze daar aan benen en hals gekluisterd, zodat ze niet van hun plaats weg kunnen en alleen maar voor zich uit kunnen kijken, doordat de boeien het hun onmogelijk maken het hoofd naar links of rechts te draaien. En wat het licht betreft, dat krijgen zij van een vuur dat boven hen, heel in de verte en achter hun rug brandt. Tussen het vuur en de gevangenen in, in de hoogte, loopt een weg, en kijk, langs die weg is een muurtje opgetrokken, net een van die schotten zoals marionettenspelers tussen henzelf en het publiek plaatsen, en waarboven ze hun poppen vertonen.

Plato ziet het leven waar de meesten in beslommerd zitten als een “schouwtoneel”, om de woorden van Vondel te gebruiken. Het is alleen dankzij de filosofie en de goddelijke bevlieging (waar de filosofie natuurlijk één van is), dat men het alledaagse kan overstijgen. Of Plato gelijk heeft kan natuurlijk niemand zeggen, want vele eeuwen later zou men tot de constatatie komen dat men niets over God met de zuivere rede te weten kan komen. Er valt met andere woorden geen wiskundig bewijs te maken, maar het is wel opvallend dat bijna drie millennia na zijn dood hij nog altijd in zo goed als elke bibliotheek beschikbaar is om te lezen, en bijna bij elk groot debat aan bod komt.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *